De spelregels van badminton, in de volgorde van een partij
Badminton speel je een tegen een of twee tegen twee, met een licht racket en een shuttle over een net dat in het midden 1,524 meter hoog is. De shuttle stuit nooit: raakt hij de vloer, dan is de rally voorbij. Elke rally levert een punt op, een game gaat tot 21 punten en een partij om twee gewonnen games. De service gaat schuin over het net en je hebt er één kans voor. Hieronder staan alle regels in de volgorde waarin je ze op de baan tegenkomt, van de toss voor de partij tot de handdruk na afloop.
De baan, het net en de shuttle
De baan is een rechthoek van 13,40 bij 6,10 meter, met het net dwars over het midden. Bij het dubbelspel gebruik je de volle breedte. Bij het enkelspel telt aan elke kant een strook van 0,46 meter niet mee: dan is de baan 5,18 meter breed. De lengte is bij enkel en dubbel gelijk. Alle lijnen zijn 40 millimeter breed, en een lijn hoort bij het vak dat hij begrenst.


Elke lijn heeft een naam, en die namen gebruik je de hele partij. Achteraan ligt de achterlijn, 6,70 meter van het net. De zijlijn voor enkelspel is de binnenste lange lijn, de zijlijn voor dubbelspel de buitenste. De voorste serveerlijn ligt 1,98 meter van het net en de achterste serveerlijn 0,76 meter voor de achterlijn; die laatste telt alleen bij de service in het dubbelspel. De middenlijn scheidt het rechter en het linker serveervak.
Het net hangt in het midden op 1,524 meter en bij de palen op 1,55 meter, ongeveer op ooghoogte. Het is 760 millimeter hoog, met bovenlangs een witte band, en sluit aan op de palen zodat er geen shuttle tussendoor kan. De palen staan op de zijlijn voor dubbelspel, ook als jullie enkelspel spelen.
De shuttle is geen projectiel dat stuit. Een veren shuttle heeft zestien veren in een dop van kurk en weegt 4,74 tot 5,50 gram; een nylon shuttle heeft een kelk van kunststof op dezelfde dop, gaat langer mee en vliegt hetzelfde. Veel clubs spelen met nylon, op toernooien speel je met veren. Een racket is hooguit 680 bij 230 millimeter. Daar horen zaalschoenen bij met een zool die geen strepen op de vloer achterlaat.
Voor de partij
Voor de partij is er een toss. De winnaar kiest één van twee dingen: of hij eerst serveert of eerst ontvangt, of aan welke kant van het net hij begint. De verliezer krijgt de keuze die overblijft. Hoe je tost, spreken jullie zelf af: op een toernooi gooit de scheidsrechter een munt, op de club gooi je een shuttle op en kijk je naar wie de dop wijst, of je draait een racket.
De meeste spelers kiezen om te serveren. Een kant kiezen is slim als de hal een lastige kant heeft, met laag zonlicht, een felle lamp achter het net of tocht van een deur; bedenk wel dat jullie na elke game wisselen. Daarna slaan jullie een paar minuten in: een paar clears heen en weer, een paar drops aan het net en ieder een paar services. Inslaan is gebruik, geen regel.
Dan begint de partij bij nul beiden. In het enkelspel bepalen je eigen punten uit welk vak je serveert: bij nul of een even aantal sta je rechts, bij een oneven aantal links. De ontvanger staat in het serveervak schuin tegenover je, dus jullie staan allebei rechts of allebei links, elk gezien vanaf de eigen kant. De punten van je tegenstander doen er voor het vak niet toe.

De service
Elke rally begint met een service, en je hebt er één kans voor. Elke servicefout is meteen de rally voor de ontvanger, die daarmee het punt en de service krijgt. Een tweede service bestaat bij badminton niet, en een herkansing ook niet. Serveer daarom beheerst.
Het woord onderhands staat nergens in de spelregels. Wat er wel staat: op het moment dat je racket de shuttle raakt, is de hele shuttle lager dan je middel en wijzen de steel en het blad van je racket naar beneden. Wie zich daaraan houdt, serveert vanzelf onderhands. Het middel is een denkbeeldige lijn over het laagste punt van je onderste ribben, en dat zit hoger dan je broeksband.
Zo speelt heel Nederland, van de clubavond tot bijna elk toernooi. De profs en de spelers op de Nederlandse Kampioenschappen hebben een andere grens: daar blijft de hele shuttle onder 1,15 meter boven de vloer en is de richting van het racket vrij. Die grens vraagt om een servicerechter met een meetapparaat naast de baan. Hoor je iemand over de 1,15 praten, dan weet je nu waar dat over gaat.
Verder gelden er vier eisen. Jij en de ontvanger staan allebei helemaal in je eigen vak zonder een lijn te raken. Van beide voeten blijft een deel stil op de vloer, vanaf het begin van de service tot het raken; dat geldt voor jullie allebei. Je laat de shuttle los zonder draai en je racket raakt eerst de dop. En je zwaai gaat in één beweging naar voren, zonder stoppen en zonder schijnbeweging.

Zwaai je naar voren en raak je de shuttle niet, dan is de service geslagen en fout. Laat je de shuttle vallen zonder dat je racket naar voren ging, dan is de service nog niet begonnen en begin je opnieuw. Staan jullie allebei klaar, dan serveer je: je racket achter houden om de ander nerveus te maken geldt als onnodig vertragen. Serveer je terwijl de ontvanger nog niet klaar is en doet hij geen poging om terug te slaan, dan is het een let; slaat hij wel terug of probeert hij dat, dan was hij klaar.
De shuttle verlaat je racket omhoog, gaat over het net en komt neer in het serveervak schuin tegenover je. Dat vak is bij enkelspel lang en smal, tot en met de achterlijn, en bij dubbelspel kort en breed, tot en met de achterste serveerlijn en over de volle breedte. Op een lijn van het vak is in; ervoor, erachter of ernaast is uit.

Raakt de service de bovenkant van het net en valt hij daarna in het goede vak, dan is hij goed en loopt de rally door. Blijft de shuttle op het net liggen of blijft hij er na het passeren in steken, dan is de service fout. In het dubbelspel is de service voor de ontvanger alleen: slaat zijn partner hem terug, dan is dat een fout. De partners mogen staan waar ze willen, zolang ze het zicht van de serveerder en de ontvanger niet wegnemen.
De rally
Na een goede service slaan jullie om de beurt. Elke slag gaat over het net naar de speelhelft van de ander, en de shuttle stuit nooit: raakt hij de vloer, dan is de rally op dat moment voorbij. Je slaat hem dus altijd uit de lucht, hoog boven je hoofd of vlak boven de vloer. Waar je op je eigen speelhelft staat, kies je zelf; de vaste plek in het serveervak geldt alleen tot de service is geslagen.
Je raakt de shuttle per slag één keer, met een korte tik. Blijft hij op je bespanning hangen en slinger je hem daarna weg, dan is dat een fout, en twee keer achter elkaar raken ook. Raakt de shuttle in één slag zowel het blad als de bespanning, dan is dat gewoon een slag en speel je door. Je raakt de shuttle aan jouw kant van het net, pas als hij eroverheen is.
De rally loopt door tot de shuttle de vloer raakt, tot hij het net of een paal raakt en terugvalt aan de kant van wie hem het laatst sloeg, tot iemand een fout maakt of tot er een let is. Wie de rally wint, krijgt het punt, of hij nu serveerde of ontving.
Tellen: elke rally een punt
Elke gewonnen rally levert een punt op, ook als je ontving. Dat heet rally-point. Een game win je door als eerste 21 punten te halen. Staat het 20-20, dan speel je door tot een van jullie twee punten voorsprong heeft: 22-20, 23-21, en zo verder. Bij 29-29 beslist het volgende punt: wie het dertigste punt maakt, wint de game met 30-29.
Een partij gaat om twee gewonnen games, en wie een game wint, begint in de volgende game met serveren. In het enkelspel geldt na elke rally dezelfde regel: win je als serveerder, dan serveer je opnieuw, nu vanuit het andere vak, want je aantal punten is omgeslagen. Wint de ontvanger, dan wordt hij de serveerder en kijkt hij naar zijn eigen punten.

De serveerder roept voor elke service de stand, met zijn eigen punten eerst: "zeven-vijf" als hij voorstaat, "vijf-zeven" als hij achterstaat. Bij het begin van een game is dat "nul beiden". Wisselt het serveerrecht, dan klinkt eerst "service over" en daarna de nieuwe stand. Wie dat hardop doet, voorkomt bijna elke discussie over de stand.
De wereldbond BWF voert op 4 januari 2027 een nieuwe telling in voor het internationale badminton: 3 x 15. De partij blijft om twee gewonnen games en elke rally blijft een punt; alleen de getallen veranderen. Een game gaat dan tot 15 punten, vanaf 14-14 speel je door tot twee punten verschil, bij 20-20 wint het 21e punt, en de pauze en het wisselen in de laatste game vallen bij 8. Badminton Nederland beslist zelf of en wanneer de Nederlandse competitie meegaat; vraag het op je club.
In of uit
Tijdens de rally is de hele baan het doel: alles tot en met de achterlijn en tot en met de zijlijn. In het enkelspel geldt de zijlijn voor enkelspel, in het dubbelspel de zijlijn voor dubbelspel. De achterste serveerlijn speelt in de rally geen rol; die telt alleen bij de service in het dubbelspel.
Valt de shuttle op een lijn, dan is hij in. Pas als hij helemaal buiten de lijn de vloer raakt, is hij uit. Kijk naar de dop, want die raakt als eerste de vloer: een shuttle waarvan de veren over de lijn hangen terwijl de dop erbuiten ligt, is uit.
Raakt de shuttle het plafond of een muur, dan heet dat een fout van de speler die sloeg, en niet uit. Hetzelfde geldt als de shuttle iets of iemand buiten de baan raakt. Veel sporthallen zijn laag, met lampen en leidingen boven de baan; de hal of de vereniging mag daarvoor een eigen regeling treffen, bijvoorbeeld een let als de shuttle een lamp raakt. Vraag in een nieuwe hal even wat er geldt.

Het net
Zolang de shuttle in spel is, raak je het net en de palen niet: niet met je racket, niet met je lichaam en niet met je kleding. Doe je het toch, dan is het een fout, ook als je slag al een winnaar was en de shuttle nog onderweg is naar de vloer. Het net trilt bij de lichtste aanraking, dus je tegenstander ziet het en je geeft het toe.
Je racket of je lichaam boven het net aan de kant van je tegenstander brengen is een fout. Er is één uitzondering: raak je de shuttle aan jouw kant, dan mag je racket hem in de doorzwaai over het net volgen, zolang je het net niet raakt. Houd je de doorzwaai van je tegenstander tegen met je racket, dan is dat obstructie en een fout van jou.
Onder het net door met je voet of je racket is alleen een fout als je je tegenstander daarmee hindert of afleidt. Raakt de shuttle in de rally de bovenkant van het net en valt hij aan de overkant, dan speel je gewoon door. Raakt hij het net en valt hij aan jouw kant, dan is de rally voor de ander.
Fouten en lets
Een fout kost de rally, en daarmee het punt, aan wie hem maakt. Naast de fouten bij de service, bij het net en buiten de lijnen gaat het in de rally om deze:
- de shuttle raakt je lichaam of je kleding, ook als hij anders uit was gegaan
- je draagt of slingert de shuttle op je bespanning in plaats van hem te slaan
- je raakt de shuttle twee keer achter elkaar, of jij en je partner raken hem na elkaar
- de shuttle raakt je racket en vliegt daarna niet door naar de overkant
- je raakt de shuttle voordat hij over het net is
- je leidt je tegenstander opzettelijk af door te roepen of te gebaren
Een korte kreet bij je eigen smash hoort bij het spel; roepen op het moment dat de ander slaat niet. Laat een shuttle die duidelijk uitgaat vallen en stap opzij, want raakt hij je shirt, dan is de rally voor de ander.
Een let is een rally die niet telt: niemand krijgt een punt, dezelfde speler serveert opnieuw vanuit hetzelfde vak en de stand blijft staan. Met een scheidsrechter roept die "let", op de club roept een speler het. De spelregels noemen deze situaties:
- de serveerder serveert voordat de ontvanger klaar is en die doet geen poging om terug te slaan
- de serveerder en de ontvanger maken bij dezelfde service allebei een fout
- de shuttle blijft na de teruggeslagen service op het net liggen of blijft erin steken
- de shuttle valt uit elkaar en de dop raakt helemaal los
- een coach verstoort het spel of leidt de andere partij af
- er gebeurt iets onvoorziens, zoals een shuttle van de baan naast jullie
- de shuttle landt op de bovenkant van het net, glijdt aan de overkant naar beneden en komt terug op de vloer aan de kant van wie hem sloeg
Een veertje dat afbreekt is geen let: jullie spelen door en wisselen de shuttle na de rally. Een racket dat uit je hand glipt of een veter die losgaat staat niet in de lijst, en de rally loopt door tot de shuttle op de vloer ligt. Roep een let meteen, en niet pas nadat je de rally verloor.
Dubbelspel
In het dubbelspel gelden alle regels hierboven, met de rotatie erbij. De baan is breder, want de zijlijn voor dubbelspel telt, en het serveervak is korter en breder. Voor het gemengd dubbel gelden dezelfde regels als voor elk ander dubbelspel.
Het verschil zit in de service. Een partij heeft per keer één servicebeurt: zolang jullie de rally's winnen, serveert dezelfde speler door, telkens vanuit het andere vak. Verliezen jullie een rally, dan is het service over en gaat de service naar de andere partij, zonder dat je partner nog aan de beurt komt. Drie regels maken de rest:
- het vak volgt de stand van de serverende partij, even rechts en oneven links, en wie daar staat, serveert
- alleen de serverende partij wisselt van vak, en alleen na een punt in de eigen servicebeurt
- de ontvanger is de speler schuin tegenover de serveerder, en alleen hij slaat de service terug
Met die drie regels los je elke situatie op de baan op. In een game komt zo iedereen aan de beurt: eerst de eerste serveerder, dan de partner van de eerste ontvanger, dan de partner van de eerste serveerder, dan de eerste ontvanger.

Tijdens de rally mag iedereen overal op zijn eigen speelhelft staan. Jullie slaan om en om met de andere partij, niet per se om en om met je partner: jij mag drie keer achter elkaar slaan zolang er telkens een tegenstander tussen zit. Raken jij en je partner de shuttle na elkaar, dan is dat een fout.
Serveert iemand voor zijn beurt of vanuit het verkeerde vak, of ontvangt de verkeerde speler, dan is dat een opstellingsvergissing. Jullie spelen de rally uit en zetten de opstelling recht zodra de shuttle niet meer in spel is, volgens de stand van dat moment. De stand blijft staan, er volgt geen straf en jullie spelen niets over. Wordt de vergissing pas na de game ontdekt, dan gebeurt er niets.
Na een game kiezen de winnaars zelf wie van hen begint met serveren, en de verliezers wie als eerste ontvangt. De nieuwe eerste serveerder staat rechts en zijn partner links, en alles begint opnieuw bij nul beiden.
Wisselen en pauzes
Jullie wisselen op drie momenten van speelhelft: na de eerste game, na de tweede game als er een derde komt, en in de derde game zodra een van jullie 11 punten heeft. Zo staat niemand in de beslissende game te lang aan de kant met de lamp in het zicht. Vergeten jullie te wisselen, dan doen jullie het alsnog zodra iemand het merkt en de shuttle niet in spel is; de stand blijft staan.
Er zijn twee pauzes. In elke game is er een pauze van hooguit 60 seconden zodra een van jullie 11 punten heeft, en tussen twee games een pauze van hooguit 120 seconden. Dan mag je drinken, je gezicht afdrogen, naar je tas lopen en met je trainer praten. Buiten die momenten speel je door: op adem komen of je veters strikken doe je in de pauze.
Aanwijzingen van de kant mag je alleen krijgen als de shuttle niet in spel is, en alleen tot het moment dat jullie klaarstaan voor de volgende service. Tijdens de rally is iedereen langs de baan stil. De baan verlaat je tijdens de partij alleen met toestemming; op de club vraag je het je tegenstander, en die zegt ja als het nodig is.
Gedrag en etiquette
Op de club staat er niemand naast de baan: jullie zijn samen de scheidsrechter. Ieder beoordeelt in en uit op zijn eigen speelhelft, de serveerder roept de stand, en komen jullie er niet uit, dan spelen jullie een let. Een meningsverschil mag niemand het punt opleveren. Zijn jullie het oneens over de stand, reken dan samen terug; lukt dat niet, dan begint de game opnieuw bij nul beiden.
Geef toe wat alleen jij zag: het net dat je racket even raakte, een shuttle die je twee keer raakte, een shuttle langs je shirt, een service boven je rib. Wie zijn eigen fouten toegeeft, krijgt dat van zijn tegenstander terug.
Wangedrag is elk gedrag dat bedoeld is om het spel op een ongeoorloofde manier te beïnvloeden: opzettelijk vertragen, de veren van de shuttle ombuigen om de vlucht te veranderen, beledigen, een racket door de hal gooien. Met een scheidsrechter gaat het bestraffen in stappen: eerst een waarschuwing, daarna een fout, bij een ernstige overtreding meteen een fout, en de referee kan een speler uit de partij zetten.
Verder gelden de gebruiken in de hal:
- de shuttle geef je onder het net door terug, met een zacht tikje richting de serveerder
- wacht met je service tot de rally op de baan naast je voorbij is
- loop niet over of langs een baan waar een rally bezig is, maar wacht en loop achterom
- zaalschoenen met een zool die niet afgeeft, en andere schoenen dan buiten
- een veren shuttle behandel je met respect: niet dubbelvouwen om hem te testen
Wie zich aan deze gewoonten houdt, speelt prettig met iedereen in de hal.
Techniek
Vanaf hier gaat het niet meer over de spelregels. Dit is wat de meeste trainers aanleren en wat op clubniveau werkt; doet je trainer het anders, volg dan je trainer. Als beginner kom je ver met acht slagen, en in de eerste maanden gebruik je er vooral vier: de korte service, de lange service, de clear en de drop.
- korte service: laag over het net, net achter de voorste serveerlijn, zodat de ontvanger omhoog moet spelen
- lange service: hoog en diep naar de achterkant van het serveervak, zodat de ander helemaal naar achteren moet
- clear: bovenhands hoog en diep naar de achterlijn van de ander, om tijd te winnen
- drop: bovenhands zacht net over het net, om de ander die achterin staat naar voren te halen
- smash: bovenhands hard en steil naar beneden, om de rally af te maken
- drive: vlak en snel op schouderhoogte, om tempo te maken
- netdrop: zacht vanaf het net over de band, zodat de shuttle meteen valt
- lift: onderhands van laag bij het net hoog naar de achterlijn, om tijd te kopen
De clear, de drop en de smash beginnen met dezelfde beweging, dus de ander ziet pas op het laatste moment wat eraan komt. Smash alleen als de shuttle hoog en voor je komt: van achter de achterlijn komt een smash vlak aan en slaat de ander hem zo terug. Weet je het even niet, dan is een clear meestal de veilige keuze.

Tactiek
Ook hieronder staat geen reglement. Met plaatsing bereik je op clubniveau meer dan met kracht, want de meeste rally's eindigen met een fout en niet met een winnende smash. Wie de shuttle één keer vaker goed terugspeelt dan de ander, wint de rally.
In het enkelspel is je thuisbasis het midden van je speelhelft, iets achter het midden, want vanaf daar is elke hoek ongeveer even ver. Ga na elke slag terug naar die plek. Speel lengte met de clear en de lange service, stuur de ander van hoek naar hoek en wissel hoog en zacht af met vlak en hard. Sla een drop pas als de ander achterin staat; staat hij in het midden met zijn racket omhoog, dan is dezelfde drop een cadeau.
In het dubbelspel staan jullie in een van twee opstellingen. Zolang jullie de shuttle naar beneden slaan, vallen jullie aan: de een aan het net bij de voorste serveerlijn, de ander achterin met de smash. Slaan jullie hem hoog, met een lift of een clear, dan komt er een smash aan en gaan jullie naast elkaar staan, elk op een eigen helft. De korte service is daar de standaard en de lange een verrassing.

Tegen een sterkere speler maak je vooral minder fouten: lengte, marge boven het net, geduld en een lift als je laat bent. Tegen een minder ervaren speler bepaal je zelf het tempo, neem je de shuttle vroeg en speel je de hoeken. Kijk tijdens de rally niet alleen naar de shuttle, maar ook naar de ander: waar hij staat, bepaalt jouw slag.
Het einde van de partij
De partij is voorbij zodra een speler of een paar twee games heeft gewonnen. Daarna geef je een hand over het net, tik je de rackets tegen elkaar of geef je een vuist, en bedank je de scheidsrechter als die er was. Help daarna met de netten en laat de baan netjes achter voor wie erop staat te wachten.
En de belangrijkste gewoonte staat in geen enkel reglement: vraag de volgende keer weer, ook de spelers die je nog niet kent. Wie vaker speelt, wordt vanzelf beter.